De groeiende kloof tussen arm en rijk

het arme meisje en de rijke jongeling

Toen ik zestien was, werd ik me bewust van de schrijnende tegenstelling tussen rijkdom en armoede. Dat was tijdens een reis door India met mijn ouders en de zakenpartners van mijn vader en hun aanhang. Het precieze moment waarop ik ontwaakte voor die tegenstelling was toen ik volgegeten en -gedronken een chique restaurant verliet. In dat restaurant had iedereen een persoonlijke ober, die achter je stoel stond en voortdurend je bord weer vol schepte en je glazen weer vol schonk. Het lukte me niet om mijn bord netjes leeg te eten en mijn glazen netjes leeg te drinken. Weer buiten vroeg een klein meisje, vies gezichtje, kapot jurkje, mij om geld. Want ze had zo’n honger gebaarde ze in internationale gebarentaal. Ik schudde mijn hoofd, want geld had ik niet op zak. Mijn vader droeg de portemonnee. Zij viel op haar knieën met angstige ogen, boog, kuste m’n voeten en keek weer naar me op, haar ene hand wrijvend over haar buik, haar andere hand naar geld vragend omhoog naar mij. Weer schudde ik m’n hoofd. Op dat moment stopte één van de twee taxi’s waarin het hele gezelschap intussen had plaats genomen vlak achter me, deur open, ik werd naar binnen getrokken, deur dicht, de taxi reed door. Door de achterruit zag ik nog net hoe het meisje door een even vies, maar iets ouder jongetje met de vlakke hand in haar gezicht werd geslagen, links rechts links rechts.

 

twee vragen

Deze gebeurtenis bepaalde in zekere zin sindsdien al mijn denken en handelen. Hoe moest ik de kloof tussen dit bedelende meisje en de rijke jongeling begrijpen? En: wat kon ik als westerse welopgevoede witte jongeman doen? Ik hoopte tijdens mijn studie Tropische cultuurtechniek aan de landbouwuniversiteit van Wageningen antwoorden te vinden op deze twee vragen. Tijdens de buluitreiking weer zeven jaar later, vele illusies armer en evenzovele inzichten rijker, wist ik de antwoorden wel, niet dankzij, maar ondanks de universiteit. Met het ontvangen van mijn titel als irrigatie ingenieur namelijk voelde ik dat ik voortaan een rol moest vervullen in een spel dat de vrije markteconomie heet. Terwijl ik intussen begreep dat de groeiende kloof tussen rijkdom en armoede in de wereld juist in stand wordt gehouden door de idee van de vrije markt. Voor de miljoenen bedelende kinderen in het algemeen en dit ene bedelende meisje in het bijzonder ruste ik niet voordat ik de diepste oorzaken van de afgrond tussen hen en mij doorleefde.

 

één wereldeconomie

Om de groeiende kloof tussen rijkdom en armoede in de wereld te begrijpen, moest ik in de eerste plaats inzien dat alle mensen wereldwijd deel uitmaken van één economie. Dat leerde ik niet op de universiteit. Daar kreeg ik überhaupt geen helder begrip van wat economie nu eigenlijk is. Door me te verdiepen in de herkomst van het eten dat ik at en de kleding die ik droeg, ontwikkelde ik een mijns inziens zuiver begrip van economie (zie ook: https://www.veerhuis.nl/nieuwe-economie/): economie is het produceren, distribueren en consumeren van economische waarden die voorzien in de materiële behoeften van de mens.

Economie heeft mijns inziens niets met geld verdienen ‘an sich’ te maken. Je kunt namelijk ook geld verdienen door op de hoek van de straat een lied te zingen en na afloop met de pet rond te gaan. Dan verdien je wel geld, maar voorzie je niet in een materiële behoefte. Je creëert dus geen economische waarde, maar, zeg maar, culturele waarden die voorziet in een immateriële behoefte. Je kunt ook geld verdienen door te speculeren op de aandelen- en/of grondmarkt. Dan verdien je wel geld, maar je levert niet eens een prestatie die in een behoefte voorziet, materieel noch immaterieel. Sterker nog, tegenwoordig verdienen heel veel mensen, heel veel geld zonder enige waarden te creëren überhaupt, pure diefstal.

 

wat is economie?

Het voorzien in immateriële behoeften is wat mij betreft geen economie. En het speculeren met geld is wat mij betreft al helemaal geen economie, maar gewoon diefstal dus. Wat is in mijn ogen dan wel economie? Het produceren, distribueren en consumeren van economische waarden die voorzien in materiële behoeften.

Bovendien zijn sinds een jaartje of 150 alle mensen wereldwijd met elkaar verbonden via het scheppen, verdelen en weer vernietigen van goederen. Ook dat leerde ik niet op de universiteit. Daar doen ze net alsof er verschillende economieën zijn die met elkaar moeten concurreren. Ja, er zijn verschillende huishoudens, bedrijven, organisaties, landen enzovoorts die met elkaar concurreren, tegelijkertijd maken die huishoudens, bedrijven, organisaties, landen enzovoorts allemaal deel uit van die ene wereldwijde economie. De prijs die ik hier betaal voor de goederen die ik hier consumeer is van invloed op de inkomens van mensen elders in de wereld die die goederen produceren en distribueren. Vraag je maar eens af hoeveel mensen een bijdrage leveren aan de producten die te koop worden aangeboden in een gemiddelde supermarkt in Nederland. Dan kom je al gauw tot enkele miljarden medemensen, waarvan jij slechts het laatste schakeltje bent in horizontale en verticale productie- en distributieketens, namelijk de koper van het eindproduct dat zeer binnenkort door jou zal worden geconsumeerd (lees: zal worden vernietigd).

 

de handel in kapitaal, arbeid en grond

Om de groeiende kloof tussen rijkdom en armoede in de wereld te begrijpen, moest ik me ook realiseren dat we niet alleen handelen in goederen en diensten die voorzien in onze materiële behoeften, maar ook in de productiemiddelen kapitaal, arbeid en grond(stoffen), die we inzetten om economische waarden te produceren. Zodoende ondergaan de productiemiddelen kapitaal, arbeid en grond hetzelfde lot als de consumptiegoederen waarin wordt gehandeld, namelijk ze worden verbruikt en vernietigd. Terwijl in zekere zin de productiemiddelen kapitaal, arbeid en grond common goods zijn, ze zijn van alle mensen. Toch? Of van niemand.

Op basis van deze twee inzichten – alle mensen maken deel uit van één wereldwijde economie en we handelen niet alleen in consumptiegoederen, maar ook in productiemiddelen – is makkelijk te begrijpen waarom steeds minder mensen steeds rijker worden en steeds meer mensen steeds armer. We maken van die ene wereldwijde economie namelijk een zogenoemde vrije markteconomie. (Dat hoeft namelijk niet hè. We zouden van die ene wereldwijde economie ook een deeleconomie kunnen maken. Of een betekeniseconomie. Of een overlegeconomie. Of een associatieve economie. Of hoe benoemen we een economie waarin in goed onderling overleg productie op consumptie wordt afgestemd?)

 

de idee van de vrije markteconomie

De idee van de vrije markteconomie is te vergelijken met de idee van een voetbalcompetitie. In de Eredivisie van de Nederlandse voetbalcompetitie spelen ruim vierhonderd beroepsvoetballers verdeeld over 18 clubs twee keer per seizoen tegen elkaar, één keer uit en één keer thuis. Als je wint krijg je drie, als je gelijkspeelt één en als je verliest geen punten. De club met de meeste punten wordt kampioen, de club met de minste degradeert, alle overige clubs eindigen ergens tussen de eerste en laatste plaats in. Natuurlijk is voetbal gewoon maar een spelletje ter vermaak van de spelers zelf en de toeschouwers die ernaar kijken. En het zou ook een heel onschuldig spelletje blijven als er niet zoveel geld in omging, als de winnaars niet ook nog eens extra geld kregen en de verliezers minder. Met het gewonnen geld kunnen de winnaars de betere spelers naar zich toe trekken en de kans dat ze een volgend seizoen weer kampioen worden, neemt toe, inclusief de extra inkomsten die dat oplevert.

Zoals de voetbalcompetitie een strijd van 18 clubs om het kampioenschap is, zo hebben we van die ene wereldwijde economie een competitie gemaakt waarin alle mensen tegen alle mensen strijden om niet alleen goederen, maar ook om grondstoffen, arbeiders en kapitaal. En het spreekt voor zich dat deze wereldwijde concurrentiestrijd behalve enkele winnaars, vooral heel veel verliezers kent. De winnaars, een steeds kleiner wordende elite, eigenen zich steeds meer products, planet, people en profit toe en kunnen meer en meer bepalen welke technologieën worden ontwikkeld en geïmplementeerd, wie welke energie aan wie levert, wie wel mag werken en wie niet, welke bestemming grond en grondstoffen krijgen, welke geschiedenis wordt onderwezen op de scholen, welke eisen er worden gesteld aan leraren, welke gezondheidszorg er plaatsvindt, welke therapieën wel en niet vergoed worden, welke wetenschappelijke paradigma’s de ruimte krijgen, welke landbouw zich mag ontwikkelen enzovoorts. Voor de verliezers rest niets anders dan zichzelf (hun arbeid) te verkopen voor geld (loon). Of te bedelen.

De kloof tussen de steeds kleiner wordende groep winnaars en de voortdurend omvangrijker wordende groep verliezers wordt steeds groter.

Behalve steeds meer mensen lijdt ook de Aarde zelf onder de idee van de vrije markteconomie.

 

de officiële oplossing

De reguliere wetenschap en politiek kent maar één oplossing binnen dit idee. Dat is ook de oplossing die Thomas Piketty in zijn werk Kapitaal van de 21ste eeuw beschrijft, nadat hij na vele jaren onderzoek wetenschappelijk heeft aangetoond dat de bezitters van de productiemiddelen steeds rijker worden en zij die alleen hun productiemiddel arbeid kunnen verkopen steeds armer.

Het ‘subsysteem’ vrije markteconomie vraagt om het ‘subsysteem’ staat. Waarom? Om een deel van de winsten van de winnaars te verdelen over de verliezers. Via belastingheffing. Zo worden de verliezers door middel van ‘herverdeling van de welvaart’ zodanig tevreden gehouden dat ze niet in opstand komen. Ook moeten de ‘arbeidsomstandigheden’ menselijk blijven, dat dan wel.

En door middel van steeds strengere regels moet het milieu worden beschermd.

Beide subsystemen worden in de westerse politiek vertegenwoordigd door een aparte politieke stroming, de vrije markt door de neoliberalen en de staat door de sociaal-democraten met ieder een naar hun idee eigen mens- en wereldbeeld. In werkelijkheid ligt ten grondslag aan die twee zogenaamd verschillende mens- en wereldbeelden dat ene materialistische mens- en wereldbeeld. De mens, die zichzelf begrijp als een complex van fysische- en chemische reacties, die strijdt om zoveel mogelijk macht en bezit en die zich voortdurend moet aanpassen om te overleven in een arena waarin iedereen met iedereen vecht.

 

een vruchtbare oplossing

Een vruchtbare oplossing van de groeiende kloof tussen westerse welopgevoede witte mannen en bedelende gekleurde meisjes begint mijns inziens met het vertrouwen dat de mens meer is dan alleen maar een complex van fysische- en chemische processen. Mensen zijn ook nog creatief. Zij kunnen liefhebben, denken en alternatieven verzinnen. Zij kunnen, als ze willen, in goed onderling overleg een mens- en Aarde-waardige samenleving creëren.

Hoe? Door vanuit het geheel te denken, vanuit liefde & vertrouwen, vanuit het bewustzijn dat alle mensen op deze ene hele aarde deel uitmaken van één wereldwijde economie. Door in goed onderling overleg productie op consumptie af te stemmen. Door de gezamenlijk geproduceerde koek eerlijk onder elkaar te verdelen.

Moeten er nog aan andere voorwaarden worden voldaan om dit alles mogelijk te maken?

Ja.

Met liefde & vertrouwen alleen komen we er niet. Ook niet met alleen maar mediteren en/of alleen maar werken aan je persoonlijke ontwikkeling. Om als blanke westerling samen te leven met de donkere oosterling moeten we niet alleen het materialistische mensbeeld loslaten, maar ook liefde & vertrouwen verankeren in de samenleving zelf. Vóór wij mensen in goed onderling overleg de gezamenlijk geproduceerde koek onder elkaar kunnen verdelen, dienen wij eerst de bedrijven en organisaties (kapitaal), de mensen (arbeid) en de Aarde (grond en grondstoffen) aan zichzelf terug te geven. Hoe? Door de productiemiddelen kapitaal, arbeid en grond uit de handel te halen en nieuwe vormen van recht te ontwikkelen. Zodat niemand meer iemand anders kan ‘bezitten’. Pas op dat moment kunnen alle mensen als gelijken met elkaar in gesprek over hoe zij samen willen leven. Als niemand meer iemand anders in loondienst kan nemen, als niemand meer macht kan uitoefenen omdat hij het bedrijf bezit waar iemand anders werkt of de grond bezit waarop iemand anders woont, dan kunnen alle mensen als gelijken vanuit liefde & vertrouwen met elkaar bepalen hoe zij samen willen wonen, werken en leven. Dan kunnen ze enerzijds vrij bepalen tot wat voor mens zij zichzelf willen ontwikkelen en anderzijds samen in elkaars levensbehoeften voorzien.

 

tot slot

Zolang we nog handelen niet alleen in reële economische waarden die voorzien in materiële behoeften, maar ook in de productiemiddelen kapitaal, arbeid en grond, zullen steeds minder mensen steeds rijker worden en steeds meer bedelende jongens en meisjes in het straatbeeld verschijnen. Halen we daarentegen de productiemiddelen uit de handel, creëren we dus nieuwe vormen van eigendom en beheer van kapitaal, arbeid en grond, dan zal bovendien het huidige geldsysteem gezond worden.

Maar dat is een ander verhaal dat ik graag een ander keertje vertel.

Er komt een tijd dat westerse welopgevoede witte jongemannen niet meer in chique restaurants eten, terwijl oosterse ongewassen gekleurde meisjes op straat hun voeten kussen voor geld, maar dat ze gezamenlijk aan rijk gevulde tafels zitten en elkaar de lekkerste hapjes toeschuiven.

Jac Hielema

  • Interessant blog? En wil je meer?

    Schrijf je dan in en ontvang elke maand inspirerende blogs, nieuwe ideeën en de agenda van het Veerhuis.
  • eenvoudig opzeggen  |  1 email / maand  |  je privacy is goed geregeld

0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *